AAN EEN ZWIJGEND DICHTER
Vreemd, dat de vogels niet meer fluiten,
Als de aren wieglen op het veld,
Geen lied het luistrend oor doet tuiten,
Als de appel in den boomgaard zwelt.
Kent gij die stilste handelingen,
Wier wijding geen gerucht verdraagt,
Zoodat hun lichte zin door zingen,
Zelfs van den leeuwrik, wordt verlaagd?
Misschien dat zóo het hart bij 't oogsten
Geen wijsjes in den takken lijdt,
Doch gansch zich wegschenkt aan dat oogste:
Het wonder van zijn vruchtbaarheid.
* * * * *
DE DICHTER TOT DE EINDLOOSHEID
Heilige eindloosheid,
Buiten ruimte, buiten tijd,
Slingren zich de zaal'ge reiën,
In een eeuwig zich vermeiën
Aan U toegewijd.
Eenmaal in den droom
Strookte mij de zoom
Dezer waaiende gewaden,
En ik mocht en oogwenk baden
In dien wervelstroom.
Sedert pleegt de dag,
Als een jonge lach
Die zich loswindt van de lippen,
Immer aan den wil te ontglippen
Van mijn zak gezag.
Telkens waar ik buk
En 't geplukte druk
Als bezitting in de handen,
Rukt het zich uit vorm en banden
Opwaarts naar 't geluk.
Geen gedachte kan
In den kalmen ban
Van het klaar verstand verblijven,
Maar zij wil een lijn beschrijven,
Die den trans omspann'.
En wanneer ik zing,
Stijgt mijn zang als ring
In steeds wijder, teerder bogen,
Zevenkleurig overtogen,
Of zij U omving.
Heilige eindloosheid,
Buiten ruimte, buiten tijd,
En het weerspel harer glansen
Met den maatval van Uw dansen
Werd inééngereid.
Beide gedichten uit Opvluchten
eerste druk 1922; C.A. Mees, Santpoort.
Meer gedichten uit dezelfde bundel kunt u vinden op het, redactioneel aan deze site gelieerde weblog Rondom kunst en cultuur, door hier te klikken.
woensdag 23 juni 2010
vrijdag 18 juni 2010
Novalis: Geistliche Lieder XIII: Hymne
HYMNE
Wenige wissen
Das Geheimnis der Liebe,
Fühlen Unersättlichkeit
und ewigen Durst.
Des Abendmahls
Göttliche Bedeutung
Ist den irdischen Sinnen Rätsel;
Aber wer jemals
Von heißen, geliebten Lippen
Atem des Lebens sog,
Wem heilige Glut
In zitternde Wellen das Herz schmolz,
Wem das Auge aufging,
Daß er des Himmels
Unergründliche Tiefe maß,
Wird essen von seinem Leibe
Und trinken von seinem Blute
Ewiglich.
Wer hat des irdischen Leibes
Hohen Sinn erraten?
Wer kann sagen,
Daß er das Blut versteht?
Einst ist alles Leib,
Ein Leib,
In himmlischem Blute
Schwimmt das selige Paar.
O! daß das Weltmeer
Schon errötete,
Und in duftiges Fleisch
Aufquölle der Fels!
Nie endet das süße Mahl,
Nie sättigt die Liebe sich.
Nicht innig, nicht eigen genug
Kann sie haben den Geliebten.
Von immer zarteren Lippen
Verwandelt wird das Genossene
Inniglicher und näher.
Heißere Wollust
Durchbebt die Seele,
Durstiger und hungriger
Wird das Herz:
Und so währet der Liebe Genuß
Von Ewigkeit zu Ewigkeit.
Hätten die Nüchternen
Einmal gekostet,
Alles verließen sie
Und setzten sich zu uns
An den Tisch der Sehnsucht,
Der nie leer wird.
Sie erkennten der Liebe
Unendliche Fülle
Und priesen die Nahrung
Von Leib und Blut.
Uit: Geistliche Lieder (XIII)
Novalis, d.i. Georg Friedrich Philipp
Freiherr von Hardenberg (1772-1801)
Zie tevens onze bijdrage met Markante Uitspraken
van deze auteur, opgenomen op onze zustersite
Tempel der Wijze Woorden, op 18 juni 2010.
zondag 30 mei 2010
Twee gedichten van Jean Lorrain
LES CYGNES
A UNE MORTE
Il est dans Tennyson un chant plein d'amertume
Où parmi les récifs au pieds d'un vieux manoir,
Un vieux roi presqu'aveugle à la barbe d'écume,
Seul en face des flots, vient au couchant, s'asseoir
Et là, les yeux fixés dans l'horizon qui fume,
Son regard attrsité suit, pris d'un vague espoir,
Un grand vol éclatant de cygnes dans la brume,
Fugitive blancheur apparue au ciel noir.
Le sillon lumineux des cygnes sur la grève,
C'est ton image encor vivante dans mon rêve,
Souriante au milieu des bonheus entrevus.
Tu renais et voilà que leprésent s'efface
Et dans les cieux plus clairs le divin essaim passe,
L'essaim des hures d'or et des soges perdus.
Uit: Le Sang des Dieux, 1882
* * * * *
CHANSON
L'Amour? Un oiseau bleu. La Vie? Un oiseau triste. . .
Avoir été la fleur qu'un passant égoïste
Arrache, et parcaprice effeuille entre ses doigts. . .
Avoir été l'oeillet qui flambe sur sa tige,
Le papillon ailé qui palpite et voltige,
Le ramier roucouleur qui pleure au fond des bois,
Et puis, la volupté du baiser assouvie,
Se réveiller brisée . . . Amour, est-cela Vie?
Et ne vaut-il pas mieux, à l'heure où les hautbois
Et les flûtes d'ébène enchantent la silence,
S'accouder incrédule etbelle díndolence
Avec des yeux savants, qui raillent Autrefois!
Uit: Les Griseries, 1887.
Jean Lorrain is een pseudoniem van de in 1855 geboren Paul Alexandre Martin Duval, die ook nog publiceerde onder de schuilnaam Raitif de la Bretonne, maar dan in diverse kranten. Naast meerdere dichtbundels publiceerde hij tal van novellen en verhalen, enkele romans en veel voor het theater, in verschillende disciplines. Eén lyrische tragedie heeft hij in 1900 de wereld geschonken, in samenwerking met André-Ferdinand Hérold (1865-1940): Prométhée, waarover de componist Gabriel Fauré (1845-1924) zich heeft ontfermd en in hetzelfde jaar een opera heeft voltooid.
Meer over die auteur kunt u lezen op het fin de siècle weblog All art is quite useless van Rond1900.nl. U hoeft alleen de naam Jean Lorrain in het sjabloon ZOEK in te tikken, dan krijgt u de diverse stukken van Sander Bink opgesomd.
__________
Afbeelding: karikatuur van Jean Lorrain door SEM, d.i. Georges Goursat (1864-1934), als kunstenaar, zowel beeldend alsook op het gebied van het schrijven, was SEM een laatbloeier.
A UNE MORTE
Il est dans Tennyson un chant plein d'amertume
Où parmi les récifs au pieds d'un vieux manoir,
Un vieux roi presqu'aveugle à la barbe d'écume,
Seul en face des flots, vient au couchant, s'asseoir
Et là, les yeux fixés dans l'horizon qui fume,
Son regard attrsité suit, pris d'un vague espoir,
Un grand vol éclatant de cygnes dans la brume,
Fugitive blancheur apparue au ciel noir.
Le sillon lumineux des cygnes sur la grève,
C'est ton image encor vivante dans mon rêve,
Souriante au milieu des bonheus entrevus.
Tu renais et voilà que leprésent s'efface
Et dans les cieux plus clairs le divin essaim passe,
L'essaim des hures d'or et des soges perdus.
Uit: Le Sang des Dieux, 1882
* * * * *
CHANSON
L'Amour? Un oiseau bleu. La Vie? Un oiseau triste. . .
Avoir été la fleur qu'un passant égoïste
Arrache, et parcaprice effeuille entre ses doigts. . .
Avoir été l'oeillet qui flambe sur sa tige,
Le papillon ailé qui palpite et voltige,
Le ramier roucouleur qui pleure au fond des bois,
Et puis, la volupté du baiser assouvie,
Se réveiller brisée . . . Amour, est-cela Vie?
Et ne vaut-il pas mieux, à l'heure où les hautbois
Et les flûtes d'ébène enchantent la silence,
S'accouder incrédule etbelle díndolence
Avec des yeux savants, qui raillent Autrefois!
Uit: Les Griseries, 1887.
Jean Lorrain is een pseudoniem van de in 1855 geboren Paul Alexandre Martin Duval, die ook nog publiceerde onder de schuilnaam Raitif de la Bretonne, maar dan in diverse kranten. Naast meerdere dichtbundels publiceerde hij tal van novellen en verhalen, enkele romans en veel voor het theater, in verschillende disciplines. Eén lyrische tragedie heeft hij in 1900 de wereld geschonken, in samenwerking met André-Ferdinand Hérold (1865-1940): Prométhée, waarover de componist Gabriel Fauré (1845-1924) zich heeft ontfermd en in hetzelfde jaar een opera heeft voltooid.Meer over die auteur kunt u lezen op het fin de siècle weblog All art is quite useless van Rond1900.nl. U hoeft alleen de naam Jean Lorrain in het sjabloon ZOEK in te tikken, dan krijgt u de diverse stukken van Sander Bink opgesomd.
__________
Afbeelding: karikatuur van Jean Lorrain door SEM, d.i. Georges Goursat (1864-1934), als kunstenaar, zowel beeldend alsook op het gebied van het schrijven, was SEM een laatbloeier.
zondag 25 april 2010
Twee gedichten van Sully Prudhomme (1839-1907)
L'IDÉAL
.jpg)
La lune est grande le ciel clair
Et plein d'astres, la terre est blême,
Et l'âme du monde es dans l'air.
Je rêve à l''etoile suprême,
A celle qu'on n'aperçoit pas,
Mais dont la lumière voyage
Et doit venir jusqu'ici-bas
Enchanter les yeux d'un autre âge.
Quand luira cette étoile, un jour,
La plus belle et plus lointaine,
Dites-moi qu'elle eut mon amour,
O dernière de la race humaine!
* * * * *
PRIÈRE
Ah! si vous saviez comme on pleure
De vivre seul et sans foyers,
Quelquefois devant ma demeure
Vous passeriez.
Si vous aviez ce que fait naître
Dans l'ame triste un pur regard,
Vous regarderiez ma fenêtre
Comme au hasard
Si vous saviez quel baume apporte
Au coeur la présnece d'un coeur,
Vous vous assoiriez sous ma porte
Comme une soeur.
Si vous saviez que je vous aime,
Surtout si vous saviez comment,
Vous entreriez peut-être même
Tout simplement.
Beide gedichten komen uit
de bundel Justice uit 1878
_______________
Foto: de Franse auteur Sully Prudhomme
(1839-1907), Nobelprijs Literatuur 1901,
de eerste schrijver die deze prijs ontving.
Een bijdrage van een andere Franse auteur,
Edouard Pailleron, uit dezelfde periode is
heden gepubliceerd op de fin de siècle website
All art is quite useless van Rond1900.nl.
zondag 11 april 2010
Victoriaans gedicht van Laetitia Landon
APPLE BLOSSOMS
OF all the months that fill the year
Give April's month to me,
For earth and sky are then so filled
With sweet variety.
The apple-blossoms' shower of pearl,
Though blent with rosier hue, —
As beautiful as woman's blush,
As evanescent to.
On every bough there is a bud,
In every bud a flower:
But scarcely bud or flower will last
Beyond the present hour.
Now comes a shower-cloud o'er the sky,
Then all again sunshine;
Then clouds again, but brightened with
The rainbow's coloured line.
Ay, this is the month for me:
I could not love a scene
Where the blue sky was always blue,
The green earthalways green.
Laetitia E. Landon (1802-1838)
Uit: A Victorian Posy — Penghalion's scented treasury of verse and prose, edited by Sheila Pickles. (London, Pavilion Books Limited, 1987.)
De illustratie op de pagina tegenover het gedicht in het boek, en hieronder afgedrukt, is van Helen Allingham (1848-1926).
Meer poëzie uit dezelfde bundel — in de vorm van een gedicht van Christina Rossetti — is te vinden op Nederlandse de fin de siècle-cultuurwebsite All art is quite useless van Rond1900.nl in een bijdrage van heden.
zondag 4 april 2010
Rudolf Steiner: Twee gedichten uit 1915
Der deutsche Geist hat nicht vollendet,
Was er im Weltenwerden schaffen soll.
Er lebt in Zukunftssorgen hoffnungsvoll,
Er hofft auf Zukunftstaten lebensvoll.
In seines Wesens Tiefen fühlt er mächtig
Verborgnes, das noch reifens wirken muß.
Wie darf in Feindesmacht verständnislos
Der Wunsch nach seinem Ende sich beleben,
Solang das Leben ihm sich offenbart,
Das ihn im Wesenswurzeln schaffend hält!
14. Januar 1915
* * * * *
Im Wollen kommender Erdentage
Erstehen, stark zum schaffenden Leben,
Die Kräfte, die — hingetragen
Durchs Tor des Todes und Erdenleidens —
Im Geiste sicher leuchten und wärmen.
In künft'gen Erdentagen, wenn friedevoll
Des Geistes Wirken durch das Erdental
Die Offenbarung seiner Willenskraft
Durch Menschenseelen heilsam tragen wird,
Dann wird in Menschen als Daseinskraft
Der edle Wille leben, der die Opfertat
Im Volkesdienste treu vollbringt.
Aus einem Notizbuch 1915
__________
Meer poëzie van Rudolf Steiner is te vinden in de bijdrage Twee Paas-gedichten, op 4 april voorgesteld op de website All art is quite useless van Rond1900.nl over de cultuur van het fin de siècle.
dinsdag 30 maart 2010
R. Bennink Janssonius (1817-1872): Goede Vrijdag
GOEDE VRIJDAG
Hoe klinkt een stille, sombre klachte,
Die tot in den hoogen Hemel rijst,
Waar, in het heilig licht, de Almachte
Zijn waerelden haar loopbaan wijst:
"De Vorst der eer en heerlijkheden,
Die opstond van zijn hemeltroon
En rondging als des Menschen zoon,
Om allen in 't gemoet te treden
Met liefdeblijk en gunstbetoon:
De Heiland, die der dooven ooren,
Der blinden oogen opensloot,
Die d'arme 't Woord des Heils liet hooren,
En 't leven opriep uit den dood;
Hij, zienlijk beeld des Ongezienen
Die, bij der Englen jubeltoon,
Op aard kwam om den mensch te dienen,
Vindt bij den mensch een kruis tot loon!
De Heilge door zijn vriend verraden; —
Het recht voor 's boozen Rechterstoel; —
De Liefde met elks haat beladen;
En de Onschuld aan 't geweld ten doel:
Zie daar de bange schriktafreele,
Waar thands de blik in weiden mag,
Calvarië en heur rouwtoneelen:
Ziedaar 't geleide van deez' dag!"
O Dag! die zoveel rouw te-rug-roept voor onze oogen,
Verzink van uit der dagen rij!
Dat uw geboortestond met neevlen dicht omtogen,
Uw avond zonder zegen zij!
Laat feestmuziek noch vreugdepsalmen
Ooit uw ontwaken tegengalmen;
Rouw en ellende zij dien dag,
Dien schrikkelijkste in de reeks der dagen,
Die d'Eeengeboorne Gods aan 't hout des vloeks geslagen,
En — 't menschdom niet verbleeken zag!
Doch neen! verdwenen is het duister,
Dat eens uw middag dekte, en aan haar reine sfeer
Blikt thands een zon met nieuwen luister
Op 't eerst gebloemt' der Lente neêr;
En o, een teedre Godsstem ruischt er:
"De zondaar vindt zijn Vader weêr!"
Welaan, aanvaard en sluit uw ronde,
O Dag, naar 't mensdom en zijn zonde"
Gebrandtmerkt met een naam, die 't aardrijk siddren doet!
Naar God en naar zijn welbehagen
Doen we u den rijksten eernaam drage,
Den ééngen, heilgen naam van g o e d!
Roelof Bennink Janssonius (1817-1872)
Uit: De Dichtwerken (Derde Druk)
uitgegeven door A.W. Sijthoff, Leiden
Hoe klinkt een stille, sombre klachte,
Die tot in den hoogen Hemel rijst,
Waar, in het heilig licht, de Almachte
Zijn waerelden haar loopbaan wijst:
"De Vorst der eer en heerlijkheden,
Die opstond van zijn hemeltroon
En rondging als des Menschen zoon,
Om allen in 't gemoet te treden
Met liefdeblijk en gunstbetoon:
De Heiland, die der dooven ooren,
Der blinden oogen opensloot,
Die d'arme 't Woord des Heils liet hooren,
En 't leven opriep uit den dood;
Hij, zienlijk beeld des Ongezienen
Die, bij der Englen jubeltoon,
Op aard kwam om den mensch te dienen,
Vindt bij den mensch een kruis tot loon!
De Heilge door zijn vriend verraden; —
Het recht voor 's boozen Rechterstoel; —
De Liefde met elks haat beladen;
En de Onschuld aan 't geweld ten doel:
Zie daar de bange schriktafreele,
Waar thands de blik in weiden mag,
Calvarië en heur rouwtoneelen:
Ziedaar 't geleide van deez' dag!"
O Dag! die zoveel rouw te-rug-roept voor onze oogen,
Verzink van uit der dagen rij!
Dat uw geboortestond met neevlen dicht omtogen,
Uw avond zonder zegen zij!
Laat feestmuziek noch vreugdepsalmen
Ooit uw ontwaken tegengalmen;
Rouw en ellende zij dien dag,
Dien schrikkelijkste in de reeks der dagen,
Die d'Eeengeboorne Gods aan 't hout des vloeks geslagen,
En — 't menschdom niet verbleeken zag!
Doch neen! verdwenen is het duister,
Dat eens uw middag dekte, en aan haar reine sfeer
Blikt thands een zon met nieuwen luister
Op 't eerst gebloemt' der Lente neêr;
En o, een teedre Godsstem ruischt er:
"De zondaar vindt zijn Vader weêr!"
Welaan, aanvaard en sluit uw ronde,
O Dag, naar 't mensdom en zijn zonde"
Gebrandtmerkt met een naam, die 't aardrijk siddren doet!
Naar God en naar zijn welbehagen
Doen we u den rijksten eernaam drage,
Den ééngen, heilgen naam van g o e d!
Roelof Bennink Janssonius (1817-1872)
Uit: De Dichtwerken (Derde Druk)
uitgegeven door A.W. Sijthoff, Leiden
Abonneren op:
Posts (Atom)

.jpg)
.jpg)