maandag 9 mei 2011

Petrus Augustus de Génestet: De Humorist

DE HUMORIST                                                       
                                                                               Horrible, horrible, most horrible

Eenmaal had ik zeven vrinden,
   Bloemen in mijn levensgaard,
Die ik tot een krans mocht binden
   Om mijn hoofd en om mijn haard.
Luister, en, van één tot zeven,

   Zeg ik in een bondig lied,
Waar zij allen zijn gebleven,
   Want ik had ─ maar heb ze niet.

De eerste, een knaap met blonde lokken

   En een vriendelijk gemoed,
Is naar 't verre land vertrokken,
   Hij is heen ─ en heen voor goed.
Op zijn beeltnis blijf ik staren
   En ik weef een lang gedicht ;
Door mijn dromen komt hij waren,

   Met een vreemd en bruin gezicht.

Nommer Twee liet zijn getrouwen
   Loopen voor een kleine meid,
Die hem strengen op leert houên,
   Smelten doet van zaligheid.

't Was een fiere, forsche jongen,
   Die altijd mijn poken brak ;
Onbedwingbaar, nu bedwongen,

   Door een zachte vrouwenplak !

Nommer Drie, wien ik het leven
   Zoo vol gratie en talent
Door zag fladdren, zingen, zweven,
 Half een vlinder, half student,
Zijn Eerwaarde zakte op klompen
   In een kleigrond, zes voet diep,
En tracht d"Urmensch in te pompen,
   Wie dan toch de wereld schiep !.....


 Nommer Vier werd ongenietbaar ;

   't Is een pure filoloog !
't Is een Graecus, 't is een Piet ─ maar
   Ongelooflijk dom en droog.

'k Moest den Vijfde laten glijden,
   Daar 'k met hem mijn rust verloo,
Want op ongelegen tijden
   Las hij me altijd verzen voor.

En de Zesde, jong bedorven ─
   Zwakke ziel en groote geest ─
Is, mijn ziele schreit ─ gestorven !
   Maar een ander zegt, gesjeesd.
Mocht hij voor een vriend herleven,

   'k Zou hem in een dankbaar hart
Dichterlier. Ornament op
het voorplat van beide delen
van De Dichtwerken van
P.A. de Génestet.
't Liefste plekje wedergeven,
Heilig door een lange smart.

Maar u kan ik zien noch luchten,

   Diepst gezonken SIMIA !
Al uw zeemlen, al uw zuchten,
   Al uw doen is laria,
Ieder zuchtje is een Judas, 

   Ieder glimlach is een list.....
O mijn help ! Ik merk het nu pas,

   Ach, de vent werd humorist !

1850.

Petrus Augustus de Génestet (1829-1861)
Uit De Dichtwerken eerste deel (van twee)
Verzameld en uitgegeven onder toezicht 
van C.P. Tiele, bij Gebroeders Kraay te
Amsterdan, tweede druk 1871
   
Zie tevens de korte bijdrage HUMOR, in een artikel over ons Nederlands van nu, gepubliceerd op de Wijkwebsite van De Paddepoel in Groningen.



woensdag 16 februari 2011

Gottfried August Bürgers hommage aan de bijen


An die Bienen


Wollt ihr wissen, holde Bienen,

Die ihr süße Beute liebt,
Wo es mehr, als hier im Grünen,
Honigreiche Blumen gibt?

Statt die tausend auszunippen
Die euch Florens Milde beut,
Saugt aus Amaryllis'
 Lippen
Aller tausend Süßigkeit.




Florens schöne Kinder rötet
Nur der Frühlingssone Licht:
Amaryllis Blumen tötet
Auch der strenge Winter nicht.
Jener ausgeleerte Hülle
Wird nicht wieder angefüllt: 

Aber nie versiegt die Fülle,
Die aus diesem Kelche quillt.

Eins, nur eins sei euch geklaget:
Eh' ihr auf dies Purourrot

Eure seidnen Flügel waget,
Hört, ihr Lieben, was euch droht!
Ach, ein heißer Kuß hat neulich
Die Gefahr mir kund gemacht.
Nemt die Flügel, warn' ich treulich,

Ja vor dieser Glut in acht!


Gottfried August Bürger 1747-1794)
Uit: Die Ausgabeder Gedichte von 1789.

Nog twee gedichten van deze Duitse auteur kunt u vinden op de onze zustersite
Tempel der Kritiek, in een bijdrage van heden.

woensdag 19 januari 2011

Een gedicht van Gottfried Keller: Winternacht


Nicht ein Flügelschlag ging durch die Welt,

Still und blendend lag der weiße Schnee,
Nicht ein Wölklein hing am Sternenzelt,
Keine Welle schlug im starren See.

Aus der tiefe stieg der Seebaum auf,
Bis sein Wipfel in dem Eis gefror;
An den Ästen klomm die Nix herauf,
Schaute durch das grüne Eis empor.

Auf dem dünnen Glase stand ich da,
Das die schwarze Tiefe von mir schied;
Dicht ich unter meinen Füßen sah
Ihre weiße Schönheit Glied für Glied.

Mit ersticktem Jammer tastet' sie
An der harten Decke her und hin.
Ich vergaß das dunkle Antlitz nie
Immer, immer liegt es mir im Sinn!

Uit: Gottfried Keller (1819-1890): Gedichte.
__________

Voor meer gedichten van deze Zwitserse schrijver zij verwezen naar onze bijdrage op de Duitstalige zustersite Kulturtempel; naar een tweede bijdrage, op Kulturtempel (2). Voor een artikel over enkele Erzählungen van dezelfde auteur, welke vanaf heden in het literatuurprogramma Am Abend vorgelesen van de Duitse regionale radiozender NDR Kultur, waar men kan luisteren naar een drieëntwintigdelige reeks, die gedurende de avonden van de werkdagen zal worden uitgezonden, dus tot en met 18 februari aanstaande, steeds 's avonds tussen 22:00 uur en 22:35 uur, vijf maal per week.

donderdag 30 december 2010

Edward Thomas: Twee gedichten



Lights out

I HAVE come to the borders of sleep,

The unfathomable deep
Forest where all must lose
Their way, however straight,
Or winding, soon or late;
They caannot choose.

Many a road and track

That, since the dawn's first crack,
Up to the forest brink,

Deceived the travellers,
Suddenly now blurs,
And in they sink.

Here love ends,

despair, ambition ends;
All pleasure and all trouble,
Although most sweet and bitter,
Here ends in sleep that is sweeter
Than tasks most noble.

There is not any book
Or face of dearest look

That I would nog turn from now
To go into te unknown
I must enter, and leave, alone,

I know not how.

The tall forest towers;

Its cloudy foliage lowers
Ahead, shelf above shelf; 
Its silence I hear and obey
That I may lose my way
And myself.

De Engelse dichter Edward Thomas (1878-1917)






















Out in the dark

Out in the dark over the snow

The fallow fauns invisible go
With the fallow doe;
And the winds blow
Fast as the stars are slow.


Stealthily the dark haunts round

And, when the lamp goes, without sound
At a swifter bound
Than the swiftest hound,
Arrives, and all else is drowned;

And star and I and wind and deer,
Are in the dark together,—nesr,

Yet far,—and fear
Drums on my ear
In that sage company drear.

How weak and little is the light,

All the universe of sight,
Love and delight,

Before the might,
If you love it not, of night.


EDWARD THOMAS (1878-1917)

Edward Thomas is één dergenen van wie in het programma Words and music van BBC Radio 3, op vrijdag 31 december poëzie wordt voorgedragen, naast die van vier andere Engelse dichters. Meer daarover in onze bijdrage op de zustersite Tempel der Letteren van heden.

zondag 19 december 2010

Betje Wolff en Aagje Deken: Kerstlied


K E R S T L I E D


Laat ons nu toch niet treurig wezen,

verslagen of bedrukt van geest :
wij vieren het geboortefeest
van Hem, die ons van alle vrezen
genezen heeft — en nog genees.

Die weldaad, dat de weg te leven
nu door ons wordt zo klaar bevat,
als door de grootsten van de stad,

die weldaad heeft Hij ons gegeven,
Wat is dit niet een grote schat !

Wij willen deze dag gedenken,
dat God aan ons de Heiland gaf ;
en leggen alle droefheid af
om He een dankbaar hart te schenken :

zo gaan wij vrolijk naar ons graf !























Elisabeth Wolff-Bekker en Agatha Deken:
Uit: Economische Liedjes (1781)

NB: Zie een ander, in de tijd van het jaar passend, gedicht van deze beide dames, uit dezelfde bundel, in een bijdrage van heden op onze zustersite Tempel der Actualiteit.

woensdag 15 december 2010

Twee gedichten van Theodor Storm

Het feit dat de Oostenrijkse componist Alban Berg (1885-1935) het komende weekeinde wordt herdacht naar aanleiding van zijn vijfenzeventigste sterfdag — en niet, zoals de VPRO-Gids ons wil doen geloven: diens geboortedag — op 24 december, is voor ons aanleiding om twee gedichten van De Duitse auteur Theodor Storm op te nemen. Het eerste, Die Nachtigall is door Alban Berg op muziek gezet en opgenomen in het opus Sieben frühe Lieder, gerealiseerd in de jaren 1905-1908, voor lage stem en piano gereviseerd georkestreerd in 1928; de pianoversie eveneens aangepast in dat jaar.


De Duitse dichter
Theodor Storm in 1879.
D i e   N a c h t i g a l l

Das macht, es hat die Nachtigall
Die ganze Nacht gesungen;
Da sind von ihrem süßen Schall,

Da sind in Hall und Wiederhall
Die Rosen aufgesprungen.

Sie war doch sonst ein wildes Kind,
Nun geht sie tief in Sinnen
Trägt in in der Hand den Sonnenhut
Und duldet still der Sonne Glut,
Und weiß nicht, was beginnen.

Das macht, es hat die Nachtigall

Die ganze Nacht gesungen;
Da sind von ihrem süßen Schall,
Da sind in Hall und Wiederhall
Die Rosen aufgesprungen.

De tekst van het tweede gedicht — Schließe mir die Augen beide — van dezelfde auteur dat door Alban Berg eveneens voor lage stem en piano is gebruikt, werd gerealiseerd in 1907, in twee verschillende versie, welke pas in 1930 zijn gepubliceerd.

S c h l i e ß e   m i r   d i e   A u g e n   b e i d e

Schließe mir die Augen beide
Mit den lieben Händen zu!
Geht doch alles was ich leide,
Unter deiner Hand zur Ruh.
Und wie leise sind der Schmerz
Well' um Welle schlafen leget,
Wie der letzte Schlag sich reget,
Füllest du mein ganzes Herz

THEODOR STORM (1817-1888)
Uit: Die Gedichte

maandag 6 december 2010

De Vreemdeling van H.Marsman

Aan Hendrik de Vries


DE VREEMDELING                                                                                      

Laat mij alleen.

Dit is de tweesprong onzer wegen,
gij hebt mij tot den versten rand geleid.

maar keer hier om, ween niet.

gij kunt den laatsten tocht naast mij niet schrijden.
noch ik met u, gij gaat hem eens alleen.

gij zijt mij nochtans onverdeeld verpand :

ik heb uw bloed den donkren kus gegeven
van hen die boven dood en leven
ontstegen zijn. ik ben hun afgezant.

ik beid uw komst.


wij zullen eens den zwarten wijn

van dood en donker uit één beker drinken.
wij zullen stroomend in elkaar verzinken
en eeuwig zijn.

vaarwel.

ik keer niet weer
maar gij komt zelve, later.
vaarwel. het water
roept voor de derde keer.


Hendrik Marsman (1899-1940)
Onder meer opgenomen in ERTS Almanak 1926
Verzen, Proza, Drama, Essay.